Sluiten
clublied
T’ai Chi Ch’uan Ching Door Chang San-feng


In beweging
moeten alle delen van het lichaam
licht
wendbaar
en als een snoer parels onderling verbonden zijn.

De ademenergie (ch’i) moet gestimuleerd worden.
De geest (shen) moet innerlijk geconcentreerd zijn.

Laat de houdingen zijn zonder
vertragingen of leemtes,
holtes of uitsteeksels,
of onderbreking en hervatting van vorm.

De beweging moet in de voeten geworteld zijn,
doorgegeven door de benen,
gecontroleerd door het middel,
en uitgedrukt door de vingers.

De voeten, de benen en het middel
moeten gelijktijdig handelen als één geheel,
zodat bij het naar voren of naar achteren stappen
keuze van moment en positie juist zijn.

Als het moment van handelen en de positie niet juist zijn,
raakt het lichaam in wanorde,
de fout moet dan gezocht worden
in de benen en het middel.

Naar boven of beneden,
voren of achteren,
links of rechts, het komt steeds op hetzelfde neer.

Het gaat hier steeds om bewustzijn (i)
en niet om uiterlijke beweging.

Wanneer er omhoog is, is er omlaag;
wanneer er vooruit is, is er achteruit;
wanneer er links is, is er rechts.

Wanneer i naar omhoog wil,
impliceert het tegelijkertijd
naar omlaag.

Door de techniek
van trekken en duwen af te wisselen,
raakt een voorwerp ontworteld
en kan men het snel omgooien,
zonder enige twijfel.

Leeg en vol
moeten duidelijk onderscheiden worden.

Eén plaats
bevat het aspect van leegte en volheid;
iedere plaats
bevat op dezelfde manier leegte en volheid.

Alle delen van het lichaam zijn aaneengeregen
zonder de minste onderbreking.



BENNJAMIN PANG JENG LO, MARTIN INN, SUZAN FOE, ROBERT AMACKER, Het wezen van T'ai Chi Ch'uan. Amsterdam, Karnak, 1982